Een half jaar geleden maakte ik uit het niets opeens kennis met het werk van Gil Scott-Heron. Ik wist vrij weinig van de man, waarvoor ik zelf de volledige verantwoordelijkheid neem. Met de aanschaf van zijn roman The Vulture uit de jaren '70 probeerde ik een kleine inhaalslag te maken. Zijn taalgebruik, ritme en de wereld die hij er in beschreef overdonderden mij. Een specifieke passage sloeg in als een bom. Toen ik vanochtend las dat Scott-Heron is overleden, moest ik er meteen aan denken. Bij deze. Je kan het ook zien als een gedicht.
Time
Time. The word comes through the turnstiles of your mind, ringing that bell that attracts your attention like the warning bell near the end of a line on a typewriter. Time is here; then it is gone. I remember the first day I learned the meaning of the word gone. I had found my grandmother dead. Gone meant no tomorrow. Gone meant over. Dead meant that you, who had been something, were now nothing. That was the first time I saw a body lowered into the ground while people cried. I cried too, because I realized that I would someday die, and I was afraid of death. No longer was death a shoot out in a cowboy movie or Christians being eaten alive in a Roman arena by toothless lions. It was the end of everything.

0 x gereageerd:
Een reactie plaatsen